De 70e jaarweek

De zeventigste Jaarweek van Daniël

Abraham

De geschiedenis van het volk Israël begon bij de roeping van Abraham, ongeveer 4.000 jaar geleden.
Vanaf Abraham tot aan de komst der Wet:   430 jaar
Periode van Wet tot het kruis is ongeveer: 1.600 jaar
Periode van onze Bedeling der Genade     : 2.000 jaar

Abraham werd, op grond van geloof, door de Heere opgeroepen zijn huis en haard te verlaten om te gaan naar een door Hem aangewezen land. Dit land zou de Heere aan Abraham en zijn Z(z)aad geven tot eeuwig erfdeel. En zij zouden beloften en zegeningen ontvangen op grond van hun trouw aan het Woord van God. God beloofde dat het Z(zaad) van Abraham zo talrijk zou zijn als de sterren des Hemels en als het zand dat aan de oever der zee is. Abraham en zijn vrouw Sarah werden op wonderbaarlijke wijze vruchtbaar en ontvingen Izaäk. En Izaäk en zijn vrouw Rebekka werden ook op wonderbaarlijke wijze vruchtbaar en kregen twee zonen, Ezau en Jacob.

Hij neemt het eerste weg, om het tweede te stellen

En hoewel Ezau eerst geboren werd, verkiest de Heere Jacob boven Ezau. Dit als uitbeelding van het feit dat de Heere niet het eerste, het oude, natuurlijke en zondige leven van de mens kiest, maar het tweede, nieuwe, geestelijke en gelovige leven van de mens. De Heere kiest alleen die mens, die zijn vertrouwen stelt op de Levende God en Zijn Woord. En alleen gelovigen in Christus zullen delen in beloften, zegeningen en erfenissen van God. De Heere rekende Jakob tot eerstgeborene en gaf aan Jakob het eerstgeboorterecht.

Twaalf zonen, twaalf stammen 

De lijn in verband met het ontvangen van de zegeningen en de beloften van God liep dan ook via Jakob. Jakob verwekte twaalf zonen en één dochter. God veranderde de naam van Jacob in Israël. Deze twaalf zonen groeiden uit tot twaalf stammen en dus tot één groot volk onder de naam Israël. En de twee zonen van zijn zoon Jozef, Manasse en Efraïm, rekent Jakob tot zijn eigen zonen. Normaal gesproken horen eerstgeboorterecht en priesterschap en koningschap bij de eerstgeborene maar Jakob geeft het koningschap aan de stam van Juda. Het  priesterschap geeft hij aan de stam van Levi. En Jakob geeft het eerstgeboorterecht onder Israël aan de stam van kleinzoon Efraim.

Uit de slavernij verlost

Na tot slavenvolk geweest te zijn in Egypte, wordt het volk Israël door de Heere, via Mozes, verlost uit Egypte. Bij de Berg Sinaï wordt het volk Israël de vrouw van de Levende God, Jehovah. Daar ontvangt zij het Woord van God en krijgt zij de verantwoordelijkheid om het Woord van God bekend te maken aan de leden van het volk en aan de andere volkeren op de aarde. Na een woestijnreis van veertig  jaar wordt het volk Israël door de Heere, via Jozua gebracht naar haar woning; het door de Heere beloofde Land Israël. Daar stonden overigens wel enkele plichtplegingen tegenover. Zo zou het land zes jaren bewerkt mogen worden maar in het zevende jaar zou het land rust hebben. Er zou dat jaar niets op worden verbouwd. Maar het zesde jaar zou het land zoveel opbrengen dat het ook voor het zevende jaar genoeg zou zijn.

Leviticus 25
1 Verder sprak de HEERE tot Mozes, aan den berg Sinaï, zeggende:
2 Spreek tot de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Wanneer gij zult gekomen zijn in dat land, dat Ik u geve, dan zal dat land rusten, een sabbat den HEERE.
3 Zes jaren zult gij uw akker bezaaien, en zes jaren uw wijngaard besnijden, en de inkomst daarvan inzamelen.
4 Doch in het zevende jaar zal voor het land een sabbat der rust zijn, een sabbat den HEERE; uw akker zult gij niet bezaaien en uw wijngaard niet besnijden.

Splitsing van de stammen

Hoewel de Heere haar Man en Koning is, wil het volk Israël, net als al die andere volkeren een tastbare koning.  En de Heere geeft haar eerst koning Saul uit de stam van Benjamin tot koning over alle stammen van Israël. Maar de volgende koningen komen uit de stam van Juda, zoals door Jakob voorzegd was. Koning David is uiteindelijk koning over de twaalf stammen van Israël. De zoon van David, Salomo, is vervolgens ook koning over de twaalf stammen van Israël. En ook de zoon van Salomo, Rehabeam, is vervolgens koning over de twaalf stammen van Israël. Maar bij deze Rehabeam gaat het mis want Rehabeam eist teveel belasting van het volk. Daardoor willen de tien stammen niet meer geregeerd worden door koning Rehabeam. Met een splitsing binnen het twaalf stammenrijk als gevolg. Rehabeam blijft koning over twee stammen van Israël,  namelijk over Juda en Benjamin. En de tien stammen kiezen zich een koning uit de stam van Efraim, namelijk Jerobeam. En het bijzondere is dat deze tien stammen nu Israël genoemd worden door de Heere. De Heere God, de Man van de twaalf stammen van Israël, heeft nu ineens twee vrouwen:

De vrouw Juda      =   De 2-Stammen van Israël

De vrouw Efraïm   =  De 10-Stammen van Israël

Ontrouw

Maar de tien stammen van Israël werden de Heere ontrouw door afgoderijen. En na vele waarschuwingen maakt de Heere gebruik van de expansiedrift van het vijandige volk der Assyriërs om de tien stammen van Israël te verstrooien onder de andere volkeren. Dus in het jaar 722 BC werd deze vrouw van de Heere uit Zijn huis Israël gezet. De tien stammen zijn tot op vandaag nog steeds verstrooid onder de heidense volkeren. Maar de andere vrouw van de Heere, Juda, de twee stammen van Israël, bleef in het Land. Maar aangezien Juda het Woord van de Heere ook niet trouw bleef, kwam er ook een oordeel over Juda.

Het volk Israël had in het zevende jaar het Land rust moeten geven door het Land niet te bebouwen. Maar gedurende 490 jaar had het volk Israël het Land in het zevende jaar, geen rust (sabbatjaar) gegeven. De akkers moesten dus al die 490 jaar, zonder enige rust, dienstbaar zijn aan het volk.

Babel

Daarom zorgt de Heere er nu Zelf voor, dat de akkers rust krijgen gedurende 70 jaar. Want 490 : 7 = 70. Juda, de twee stammen van Israël, wordt voor zeventig jaar weggevoerd naar Babel. Zo kregen de akkers uiteindelijk toch rust. Juda was nu zelf dienstbaar aan Babel voor zeventig jaar. Tijdens haar periode in Babel wordt ze bekend onder een andere naam; het  Joodse volk. Deze dienstbaarheid aan Babel was van 606 BC tot 536 BC. Daarna mocht Juda, het Joodse volk, weer terugkeren naar Israël en naar Jeruzalem. Dat moest ook wel, want de Messias uit de stam van Juda, zou immers in Bethlehem geboren worden, te midden van het Joodse volk.

Profeet Daniël

In Mattheüs vierentwintig noemt de Heere Jezus het Bijbelboek Daniël en Hij geeft een waarschuwing mee om grote aandacht te hebben voor het profetisch Woord.

Mattheüs 24
15 Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël, den profeet, staande in de heilige plaats; (die het leest, die merke daarop!)

Een van de eersten die naar Babel weggevoerd werd, was de profeet Daniel. Daniel was uit de stam van Juda en was één van de prinsen uit het koningshuis van David. Daniel was een gelovige en daarom maakte de Heere Zijn plannen aan Daniel bekend. Bijvoorbeeld over de volgorde van de nog komende wereldrijken. En over de Komst van de Heere Jezus Christus, de Messias. En ook over de zwaarste periode in de geschiedenis van het Joodse Volk. En over de wedergeboorte van het Joodse volk en vervolgens heel het volk Israël. En over de komst van een Israëlitisch wereldrijk onder de Heerschappij van de Messias. En tegen het einde van deze zeventig  jaar van ballingschap in Babel, krijgt Daniel een profetie over zeventig jaarweken (= 490 jaar)

Daniël 9
16 O Heere! naar al Uw gerechtigheden, laat toch Uw toorn en Uw grimmigheid afgekeerd worden van Uw stad Jeruzalem, Uw heiligen berg; want om onzer zonden wil en om onzer vaderen ongerechtigheden, zijn Jeruzalem en Uw volk tot versmaadheid bij allen, die rondom ons zijn.
17 En nu, o onze God! hoor naar het gebed Uws knechts, en naar zijn smekingen; en doe Uw aangezicht lichten over Uw heiligdom, dat verwoest is; om des Heeren wil.
18 Neig Uw oor, mijn God! en hoor, doe Uw ogen op, en zie onze verwoestingen, en de stad, die naar Uw Naam genoemd is; want wij werpen onze smekingen voor Uw aangezicht niet neder op onze gerechtigheden, maar op Uw barmhartigheden, die groot zijn.
19 O Heere, hoor! o Heere, vergeef! o Heere, merk op en doe het, vertraag het niet! Om Uws Zelfs wil, o mijn God! Want Uw stad, en Uw volk is naar Uw Naam genoemd.
20 Als ik nog sprak, en bad, en beleed mijn zonde, en de zonde mijns volks van Israël, en mijn smeking nederwierp voor het aangezicht des HEEREN, mijns Gods, om des heiligen bergs wil mijns Gods;
21 Als ik nog sprak in het gebed, zo kwam de man Gabriël, dien ik in het begin in een gezicht gezien had, snellijk gevlogen, mij aanrakende, omtrent den tijd des avondoffers.
22 En hij onderrichtte mij en sprak met mij, en zeide: Daniël! nu ben ik uitgegaan, om u den zin te doen verstaan.
23 In het begin uwer smekingen is het woord uitgegaan, en ik ben gekomen, om u dat te kennen te geven; want gij zijt een zeer gewenst man; versta dan dit woord, en merk op dit gezicht.
24 Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen (= dat er nooit meer aan gedacht wordt door de Heere), en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en den profeet te verzegelen (= voor het Joodse Volk zal dit profetisch woord zeventig Jaarweken verborgen blijven), en om de heiligheid der heiligheden te zalven.
25 Weet dan, en versta: van den uitgang des woords, om te doen wederkeren, en om Jeruzalem te bouwen, tot op Messias, den Vorst, zijn zeven weken, en twee en zestig weken; de straten, en de grachten zullen wederom gebouwd worden, doch in benauwdheid der tijden.
26 En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden
(= gedood, gekruisigd), maar het zal niet voor Hem zelven zijn (= ‘Hij zal niet hebben’ het geopenbaard Koninkrijk op aarde); en een volk des vorsten, hetwelk komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en zijn einde zal zijn met een overstromenden vloed (= met gebruikmaking van andere volkeren), en tot het einde toe zal er krijg zijn, en vastelijk besloten verwoestingen.
27 En hij zal velen het verbond versterken een week; en in de helft der week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden, en over den gruwelijken vleugel zal een verwoester zijn, ook tot de voleinding toe, die vastelijk besloten zijnde, zal uitgestort worden over den verwoeste.

Lees verder in de PDF 70e_jaarweek.pdf

De 70e jaarweek

Geen reacties